Archief

Archief voor de ‘Home’ Categorie

Oude wegen: Sultan’s Trail in Kroatië

9 januari 2013

Op weg naar Beli Manastir

Op weg naar Beli Manastir

Map Sultans Trail

Map Sultans Trail

Tekst: Mariëtte van Beek Foto’s: Mariëtte van Beek Kaart: Mohammed El-Fers

http://www.devrijewandelaar.nl/oude-wegen-sultans-trail-in-kroatie/

De Sultan’s Trail, het langeafstandswandelpad tussen Wenen en Istanbul, is volop in ontwikkeling. Het pad volgt de oude weg die de vermaarde Ottomaanse sultan Suleyman de Grote ooit bereisde. De trajecten in Turkije, Slowakije en Oostenrijk zijn inmiddels geheel in kaart gebracht. Onlangs bracht iniatiefnemer Sedat Çakir samen met vrijwilligers de eerste bewegwijzering tussen Popsvac en Osijek in noordoost Kroatië aan. Nabij een in mysteriën gehulde brug vol hotspotpotentie.

Wat een ochtend. Vanuit mijn hoge hotelkamer kijk ik uit over de rivier Drava in Osijek. De stroom heeft haast, maar de mist erboven niet. Zijn grijze massa hangt roerloos over de stad. De moderne voetgangersbrug verderop herinnert aan de discussies met de lokale vrienden gisteravond. Over de oude Ottomaanse brug die hier eeuwen terug moet hebben gelegen, maar waarover de lokale autoriteiten en historici – amateurs of niet – nog bakkeleien. Want waar lag hij nu precies? En moet je exact weten hoe hij eruit zag voor je hem kunt herbouwen? Zeker is dat de troepen van sultan Suleyman over zijn provisorische houten constructie trokken, acht kilometer lang door de moerassen. Als die brug terugkomt, wordt het direct de nummer 1 attractie van Slovenië, dit wat vergeten deel van Kroatië, zo menen velen. Een boost voor de lokale economie op dit complexe deel van de Sultan’s Trail.

Tito’s jachtgebied

Elke stap in dit grensgebied met Servië en Hongarije is een meter roerige geschiedenis. Drama’s zijn nog warm en kwesties liggen gevoelig. Juist vandaag staan op het plein voor de kathedraal in het centrum van Osijek grote beeldschermen opgesteld. Rechtstreekse tv-beelden vanuit Den Haag, de rechters van het Internationale Strafhof doen uitspraak in hoger beroep. Wordt de Kroatische ex-generaal Ante Gotovina veroordeeld voor oorlogsmisdaden of niet? In drommen staan mannen in gespannen afwachting in de ochtendkoude bijeen. “Voor Kroaten is hij een held”, maakt gids Darko Mrkonjić ons duidelijk. Toch zet hij zich niet graag af tegen de Serviërs. Hij had en heeft ook Servische vrienden die in de Kroatische Onafhankelijkheidsoorlog (1991-1995) meevochten. In het Donau-Drava National Park buiten Osijek wijst hij later op de deplorabele staat van Tito’s geplunderde jachtverblijf. “De schuld van de rebellen.” “De rebellen?” “Ja, de Serviërs die aan Servische zijde meevochten.”

In het dorpje Popsvac is het even schakelen naar Suleymans tijd. We zetten eindelijk de eerste echte wandelpas op de Sultan’s Trail. Honden blaffen zodra we voorbij het kerkje komen. Met niet meer dan een kadasterkaart op zak oriënteert Sedat Çakir zich wonderbaarlijk snel. Richting de heuvels wordt het, voorbij vakwerkboerderijen en velden. Nog altijd gestoken in vochtige dampen, omhuld door het gelige gebladerte van de bomen en wijnranken op de hellingen. Gaan we wel goed richting Beli Manastir? Met gebaren maakt een automobilist duidelijk dat we voorlopig nog langs de kleiige akkers aan de bosrand moeten blijven lopen. Met Sultan’s Trailstickers op ijzeren borden en palen of golvende turquoise verfpijlen markeren we cruciale keuzemomenten, soms na een enkele dwaling – links, rechts -, die het tempo wat vertraagt. Genoeg tijd voor overpeinzingen.

Levensgenieters

Bewoog Suleyman zich werkelijk net als wij door het landschap? “Aan de hand van historische beschrijvingen proberen we zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijke route te komen. Daarbij moet je ook bedenken dat legers en hun materieel niet over bergen, maar door dalen trekken”, vertelt Çakir. En, wijzend naar de klei, “het gebied dat onder het rivierwater stond, was vroeger veel groter. En dus verbleven mensen op de hoger gelegen delen waar we nu lopen.” De kalige gelige randen langs en door heuvels herinneren aan de woestijnzanden die hier heel lang geleden werden afgezet. Opvallend zijn de kelders die mensenhanden erin aanbrachten. Handig voor de opslag van alles dat je even kwijt moet: munitie, brandhout, gevangenen, maar ook wijn.

We slaan dwars de kleine heuvel over. Op de top wacht een verrassing: een subliem uitzicht over Beli Manastir en de vlakte rondom. Niet zo gek dat het hier vol staat met lokale vakantiehuisjes. Met veranda, een boomgaard, een barbecue, en een café om de hoek: alle zaken die het leven ‘s zomers goed maken. Houtgesneden hartjes in luiken duiden op een liefdesnestje. Had Mrkonjić niet gezegd dat Kroaten levensgenieters zijn? De ‘vila’s’ liggen er nu verlaten bij, maar verderop houden mannen nabij een bouwplaats een vroege vrijdagmiddagborrel, met koffie en sterkere drank. Een vrouw staat met kind op de heup langszij. “Dober dan!” (goedendag!), zwijgend kijken ze ons na terwijl we weer afdalen. Van verse grindpaden lopen we nu snel op het asfalt van Beli Manastir. Het wordt al bijna donker.

Sinte Anna

Ecotoerisme is geen afzien. Zoveel wordt ‘s ochtends duidelijk in de tot B&B omgebouwde boerderij Sklepić in het dorpje Karanac. Een ontbijt voor de knappende openhaard. Met vers houtgebakken brood en appelflappen van gastvrouw Gotza, jam uit de regio, en schnaps – mocht je die willen – van haar glunderende man Dennis. En ja, ook Turkse koffie.

Net als veel traditionele huizen in deze omgeving doet de hoeve van de familie Sklepić Hongaars aan. “De kleur van de bloemsjablonen op de buitenmuren verraadt de afkomst van de bewoners”, vertelt Dennis. “Groen staat voor Hongaren, bruin voor Duitsers. Anderen kiezen wat ze willen.” Strengen pepers en knoflook aan de muren verhogen het landelijke gevoel, net als de ganzen op de deel.

Aarzelend komt de zon door, de mist trekt op. Vanuit Karanac lopen we door de lichtglooiende velden, kaal en vol stompjes van geoogste gewassen. Plots herten aan de horizon, ze staan stil en gaan er dan in galop vandoor. Een contrast met de trage fietser die ons op deze rustige zaterdagmorgen in het dorp Kneževi Vinogradi, met boodschappen aan het stuur, tegemoetkomt.

Een schildering boven de poort naar de Servisch-orthodoxe kerk onthult zijn naam: de Presentatie van de Heilige Maria. Het kleurige Bijbeltafereel laat ook haar moeder, Sinte Anna, zien. Ze is een goede bekende in alle landen van de Sultan’s Trail. Niet alleen voor christenen, maar ook voor moslims. “Anne betekent moeder in het Turks”, aldus Çakir.

Direct om de hoek zit nog zo’n prima compagnon: wijn. Afkomstig uit de wijngaarden van deze streek, Baranja, en al eeuwen een begrip. Een wijnproefsessie in de kelders volgt. We hebben een goed excuus om te nippen, want in deze kelders bivakkeerde vroeger de Ottomaanse cavalerie. Al maakte Graševina – een Kroatische Riesling – onmogelijk onderdeel uit van hun rantsoen.

Harem

Dorpskinderen begeleiden ons giechelend terug de velden in. Een eenzame herder met zijn schapen, bergen suikerbieten en een begraafplaats doorbreken de monotonie van de kleivelden, sloten en dijken van dit Kroatische Groningen. Dat wel even de hemel op aarde wordt, zodra de zon doorbreekt en de jassen uit kunnen. Roofvogels lunchen met een duik.

Tussen Grabovac en Darda valt de schemering. Hoge graansilo’s en het vuur buiten een bouwvallige Roma-nederzetting wijzen de modderige weg terug naar de bewoonde wereld. Kil wordt het, boeren sturen hun tractoren richting moeder de vrouw.

Een paar uur later zitten wij bijna in de harem van Sultan Suleyman. In het Kroatische Nationale Theater van Osijek wordt het haremdeel van Ivan Zajc’s 19de eeuwse opera Nikola Šubić Zrinski opgevoerd. De opera verhaalt over de Slag van Szigetvár in 1566 waarin Hongaarse en Kroatische legers zware verliezen toebrachten aan de Ottomaanse overmacht onder persoonlijke leiding van de grote Suleyman. Een operazanger scandeert tussen gesluierde vrouwen: “Sultan Suleyman! Sultan Suleyman!” Het muzikale drama is onophoudelijk populair; de sultan leeft nog echt langs de Sultan’s trail.

Vredespad

En dan staan we ineens voor De Brug. Achter het desolate Eszterházy-kasteel van Darda zijn in een poel tussen het riet een drietal afgekloven palen zichtbaar. Alles wat over is van de overspanning die in Suleymans tijd voor het achtste wereldwonder doorging. Iets van de grandeur is gelukkig wel terug te zien in de oude en nieuwe brugtekeningen die we verderop in Osijek op panelen aan de promenade langs de Drava aantreffen. Ongeveer op deze plek kwam de brug vanuit de moerassen de oude stad in. Een bezoek aan de latere, Habsburgse stervesting Tvrđa is een must. Het ‘Turkse straatje’ loopt achter de Franciscaner Heilige Kruiskerk, gebouwd over de resten van een Ottomaans gebedshuis. De mannen van de pacifistische bedelaarsorde van Franciscus konden zich vroeger vrijelijk aan de Ottomaanse zijde van het front begeven.

Op meer plekken komen kerken en Ottomanen bijeen. Voor de jezuïtische St. Michaelskerk aan het bekende Heilige Drie-eenheidsplein, ook binnen Tvrđa, markeren gele stenen in het plaveisel de fundamenten van een moskee, vernoemd naar Kasem Pasha, de eerste Ottomaanse gouverneur van Osijek.

De mooiste vondst ligt evenwel in Đakovo, zo’n 35 kilometer ten zuidwesten van Osijek. Mrkonjić voert ons er met de auto heen: “Na een aardbeving eind 19de eeuw werd bij toeval ontdekt dat de Allerheiligenkerk oorspronkelijk een moskee was. De koepel en tal van Ottomaanse stijlelementen werden op gezag van bisschop Josip Juraj Strossmayer hersteld.” Voor Çakir horen deze man en het bouwwerk helemaal bij de Sultan’s Trail. Het oude oorlogspad is nu een vredespad; diversiteit en tolerantie zijn de sleutelwoorden van zijn missie: “Ook ik zit nog met veel vooroordelen. Al wandelend probeer ik me ervan te ontdoen.” Buiten staan op straat nog de rode devotielichten die de Kroaten de avond ervoor langs de kilometerslange weg naar Vukovar zetten. Ter nagedachtenis aan het drama dat zich er tijdens de Servische verovering van de stad, ruim twintig jaar geleden, afspeelde. Vukovar is na Osijek de laatste Kroatische halte van formaat voordat de Sultan’s Trail-wandelaar overstapt naar Servië.

Voor meer informatie over de Stichting Sultan’s Trail, zijn wandelgidsen en -reizen, zie www.sultanstrail.nl.

Home

Verslag Servië Sultan’s Trail

2 december 2012

Verslag Servië Sultan’s Trail

Tussen 12 en 16 oktober 2012 is door Sedat, met een klein groepje, het Noordelijk deel van Servië, vanaf de Hongaarse grens tot aan Belgrado, een dikke 300 km, gemarkeerd.

Het groepje bestaat naast Sedat uit vier vrouwen: Ilse Geerts, Marianne Sprengers, Martine Landolt en Monique Janovitz en wordt begeleid door de Servische gids Zjeko Dulic. De hele wandeling is tot in de puntjes voorbereid door Biljana Marceta, de manager van reisbureau Magelan in Novi Sad, in overleg met Sedat en Zjeko. Zij heeft ook nog eens gezorgd voor een busje met chauffeur Nesja, die steeds foutloos de koffers naar ons volgende onderkomen brengt en die, wanneer het er naar uitzag dat we de eindstreep van die dag niet meer voor zonsondergang zouden halen, ons steeds staat op te wachten om ons de laatste kilometers te vervoeren.

Het eerste onderkomen is in het dorp Bezdan, waar we op een zolder boven het restaurant kunnen slapen. De eigenaar, een kopie van Milosevic, blijkt een groot bewonderaar van Tito te zijn en heeft daarom een hele zaal van zijn restaurant met beelden, foto’s en andere parafernalia van zijn held ingericht. Onze reis is begonnen.

De volgende ochtend brengt onze Milosevic ons met z’n zevenen in zijn kleine autootje naar het dorpje Backi Breg, dat net onder de grens van Hongarije ligt. Tot aan de stad Novi Sad spreekt men in dit gebied zowel Servisch als Hongaars. De wandeling is nog niet koud aangevangen, of we worden door de grenspolitie aangehouden, om ons te legitimeren. Na een aanvankelijk zeer formele opstelling, begrijpen ze dat we goed volk zijn, en laten ze ons verder gaan. Die dag lopen we langs verschillende prachtige rivieren, die volgens onze gids gegraven kanalen zijn, die gegraven zijn om het overtollige Donauwater op te vangen en het achterland te irrigeren. De dag eindigt in het, voor deze omgeving, typische lintdorp Backi Monistor, waar onze nieuwe gastvrouw ons al op straat staat op te wachten. Ze bewoont een keurig dorpshuisje, waar we in opvallend nette kamers kunnen slapen. Maar niet voordat we aan onze sociale verplichtingen hebben voldaan. In de plaatselijke sporthal wordt die avond opgetreden door diverse Kroatische zang-, dans- en muziekgezelschappen, allemaal in uitbundige klederdracht getooid. Vervolgens blijken we verwacht te worden in het plaatselijke “Etno huis” voor de avondmaaltijd. In de meeste dorpen, die we later nog zullen aandoen blijkt wel een “Etno huis” te staan. Het is meestal een van de oudste huizen van het dorp, dat helemaal in Open Lucht Museum stijl is ingericht. In de komende dagen worden we meerdere malen in een dergelijk huis ontvangen. Steeds door enthousiaste eigenaren, of dorpsgenoten, die dan steevast enorme maaltijden voor ons gekookt bleken te hebben, waar ze dan met z’n allen een hele dag aan gewerkt hadden. Het is dus onmogelijk om op deze festiviteiten te ontbreken, het is duidelijk dat er dagenlang naar wordt uitgekeken.

Van Backi Monistor zijn we naar Sombor gelopen, een stuk dat veel langer bleek dan verwacht. Pas tegen vier uur kwamen we aan bij het etablissement waar men met de lunch op ons zit te wachten, een mooi restaurant aan het water, waar de jeugd van Sombor duidelijk ’s zomers naar toe gaat om te “chillen”. Onze late lunch werd nog opgevrolijkt door de televisie die boven onze tafel aanstaat, waarop een ware pornofilm wordt vertoond, waar verder zich niemand aan stoort. Vanaf de late lunch is het toch nog enkele uren lopen naar het hotel, waar we nogal vermoeid aankomen, en waar door aardige, geïnteresseerde Servische vrienden van Zjeko op ons wordt gewacht met het avondeten. Dus toch maar weer even sociaal doen.

Langs een lange, ongebruikte en overwoekerde spoorlijn, lopen we verder naar Apatin, een klein stadje aan de Donau. We lopen af en toe door piepkleine dorpjes, waar we dank zij onze Servische gids snel het plaatselijke dorpscafé kunnen vinden, waar meestal ondrinkbare koffie wordt geschonken. Maar de vaak heerlijke, zelfgemaakte vruchtensappen brengen uitkomst. Ook de appels, peren, noten en pruimen die wij onderweg uit de bomen plukken vormen een heerlijke bijdrage aan ons dagelijks dieet. Deze wandeldag blijkt weer veel langer dan verwacht en het is al laat als we doodmoe Apatin binnen lopen. Geen sprake van lekker snel naar het hotel, maar weer doorlopen naar een ontvangst, die uitgebreid is voorbereid. Nu blijken we in het grote huis, met prachtige binnenplaats, van de plaatselijke politieagent Peter, met zijn familie te worden ontvangen. Ze hebben zich enorm uitgesloofd met de meest ongelofelijke heerlijkheden, zelfgemaakte dranken en zoetigheden. Wanneer je eenmaal zit en ziet hoe lief en aardig alles is voorbereid, vergeet je snel je vermoeidheid. Het is al pikdonker als we ons hotel met mooie kamers met uitzicht op de Donau bereiken. En omdat we de volgende dag weer vroeg op pad moeten en het ook nog eens blijkt te regenen, blijft die mooie blauwe Donau voorlopig buiten zicht.

Het landschap is nu voornamelijk agrarisch, lange modderige paden door gemaaide mais- en korenvelden, die ons naar het gehucht Bogojevo voert. We slapen nu weer bij een lieve familie in huis, die zich weer heeft uitgesloofd met een prima maaltijd, maar waar de kamers niet erg schoon zijn. Ook op het erf rond het huisje is het één janboel, waartussen een paar grote hangbuikzwijnen met vijfien jongen nog heel veel ander gedierte rondloopt.

Weer een lange wandeldag waar geen eind aan schijnt te komen en weer eindigend met een ontvangst in een Etno huis, waar we ontvangen worden door minstens tien erg serieus kijkende vrouwen op leeftijd, die ons vertelden dat ze al de hele dag samen bezig zijn geweest met het bereiden van ons eten. Hoewel de zon buiten nog straalt, moeten we helaas binnen aan de formeel gedekte tafel plaatsnemen en eten, terwijl de vrouwen om ons heen gaan staan om te zien of we hun kooksels wel op waarde schatten. Maar dan komt er een accordeonist binnen, en de Slivovitsj gaat rond en de vrouwen beginnen samen te zingen en daarna ook te dansen en voor we het weten staan we met z’n allen, op zeer vermoeide voeten, mee te dansen. Hoewel we nu toch wel erg graag ons bed wilden zien, blijkt dat we per busje nog een groot aantal kilometers moeten overbruggen, waarbij wij tot twee maal toe de Servisch-Kroatische grens en omgekeerd. moeten passeren, met veel kwaad kijkende en zeer formele douanebeambten. We slapen in een verlaten zomerhuisje in het gehucht Nestin, aan de voet van het natuurgebied Fruska Gora waarvan de eigenaren nog gezorgd hebben voor wat te drinken met wat zoutjes. Het huisje blijkt zo klein te zijn, dat we er niet allemaal in passen en Sedat en Zjeko besluiten om met Nesja door te rijden naar Novi Sad, om daar te slapen. De volgende morgen staan ze weer om half acht bij ons op de stoep, er moet verder worden gewandeld.

Deze dag voert ons naar het dorpje Banistor, gelukkig weer aan de Donau, waar we in een prachtig, zojuist gebouwd, zomerhuis met terrassen die uitkijken over de rivier, slapen. Het is weer prachtig weer en eindelijk hebben we nu dus rustig de tijd om van het uitzicht te genieten en om naar het pontje te kijken, dat af en toe met een paar auto’s naar de andere kant vaart. We eten en ontbijten in de zsardas naast het pontje.

We moeten nu toch eindelijk de “bergen” van het natuurgebied Fruska Gora in, die niet hoger zijn dan 500 m, maar waarvan we er die dag toch drie moeten nemen, op en af. Bij de voet van de vierde berg besluit onze gids het gelukkig voor gezien te houden, het begint al bijna donker te worden en we zijn moe. Bij een autoweg aangekomen komt Nesja ons keurig op halen met zijn bus. Hoewel het de hele dag stralend weer is geweest, hebben we daar bijna niets van gezien, omdat de wandeling steeds door dichte bossen ging. Zjeko, die tijdens de eerste dagen al af en toe zijn misnoegen had laten blijken als er weer eens gestickerd of gespoten werd op plekken, die hij van weinig respect voor zijn land kenmerkte, gaat hier in de bossen wel erg ver. Om de andere boom zijn diverse tekens op de bomen geschilderd, in allerlei kleuren en vormen, die bedoeld zijn voor de mensen uit Novi Sad, die daar in hun vrije tijd aan marathonlopen doen. Hij weigert ons toe te staan om het Sultan’s Trail teken daarbij te spuiten, dus zal er in de gids verwezen moeten worden naar de daar reeds bestaande tracks. Dit keer is de overnachting in een keurig vakantiehotel in een bergdorpje, waar we door de eigenaar worden ontvangen met zijn zelfgemaakte wijn, slivovitsj en kazen. Daarna gaat hij zelf achter de pannen staan om voor ons een overheerlijke maaltijd te koken.

Het volgende traject leidt ons via het laatste stukje Fruska Gora naar Novi Sad, dat we na een wat kortere wandeldag over een lange brug over de Donau binnenlopen. Een levendige, mooie stad, en omdat het weer nog steeds prachtig is, met volle terrassen. Er is voldoende tijd om nog even te winkelen en op een terrasje te zitten. We slapen in een echt hotel, met mooie grote kamers. Die avond eet Biljana, de eigenaresse van Magelan, met ons mee. Natuurlijk wil ze zoveel mogelijk van al onze ervaringen met onze verblijfplaatsen horen.

Voor we Novi Sad verlaten bezoeken we het fort dat hoog boven de stad uittorent. De vriendin van Zjerko,  Marianna, zal de hele dag met ons meelopen. Het blijft prachtig weer, we zijn weer in het open veld en kunnen ons lunchpakket met prachtig uitzicht opeten. Die avond slapen we, na een niet al te lange wandeling, in de buurt van het studentenstadje Sremski Karlovi. Het is zondag en mooi weer en iedereen en alles zit buiten op de terrassen. Er moet nog enkele kilometers naar het hotel worden gelopen, een donker, vies en onplezierig toeristenhotel, waarvan de eigenaar niet in ons is geïnteresseerd, naar later blijkt omdat er die avond een enorm groot feest in zijn hotel is georganiseerd, op onze slaapverdieping, dat pas om twee uur ’s nachts eindigt. We rijden om te kunnen eten met een taxi naar een groot restaurant aan de Donau, waar het overdag vast fantastisch is, maar dat kunnen we vanwege de duisternis niet zien.

De volgende dag begint met een heel gemeen bergje, dat 528 meter zeer steil omhoog gaat en ook weer erg steil naar beneden. Maar daarna lopen we weer plat, en bezoeken we twee totaal verschillende kloostertjes, de eerste prachtig gerenoveerd, de laatste totaal vervallen. In een dorpje wordt weer op ons gewacht in een Etno huis, met een heerlijke lunch in een prachtige tuin, en worden we door de eigenaar helemaal in de watten gelegd. Omdat de lunch toch langer duurdt dan verwacht, lopen we op tempo het dorp uit, maar worden we na enkele meters al weer aangehouden door dorpelingen, die ons kennelijk op Facebook volgen en zich al uren op onze komst hebben verheugd. Natuurlijk moeten we wat komen drinken op hun erfje, waarop talloze verschillende boerderijdieren lopen en waar we genieten van diverse zelfgemaakte vruchtensappen. Na dit dorp lopen we opeens in een totaal ander landschap met eindeloze kale akkers en vergezichten. Aan het eind van een lang pad zien we de zon al onder gaan, terwijl er nog heel wat moet worden gelopen. Maar daar staat ons busje, met Nesja, ons alweer op te wachten en worden we door hem naar het volgende dorp, Irig gebracht, waar we in  keurige, nette en schone kamers slapen en waar er voor ons gekookt is door twee vrouwen, die alleen Servisch spreken en die elke hap die bij ons naar binnen gaat geïnteresseerd volgen. Omdat Zjeko in zijn eigen bed in Novi Sad slaapt, weten we er ons weinig raad mee. De volgende ochtend kunnen we pas zien hoe opvallend arm dit dorpje is, met een armoedig marktje voor onze deur.

Onze wandeling gaat nu weer over eindeloze kale akkers en voor het eerst weten onze begeleiders niet meer precies hoe we moeten lopen. Gelukkig schijnt de zon nog steeds overvloedig en is het niet erg dat we af en toe moeten omlopen, of op een asfaltweg moeten lopen. We bereiken vermoeid een dorp, waar we ontvangen worden door de vrouwelijke locoburgemeester, die na een lang betoog over haar dorp in het gemeentehuis, ons per auto naar enkele highlights van haar dorp vervoerd: een prachtig klein kerkje, een bijzonder huis en een galerie. Vervolgens moeten we weer in het plaatselijke Etno huis eten, dit keer niet met enthousiaste mensen die naar ons uitkijken, maar met een sombere man, in een somber ingericht huis. Het is al laat als Nesja ons naar Novi Banovci brengt. (Pension Oaza)

En dan lopen we uiteindelijk in de voorsteden van Belgrado. Omdat we eindeloos langs een verkeersweg dreigen te moeten lopen, springen we met z’n allen in de bus, die ons enkele kilometers verderop in de bewoonde wereld brengt. We drinken koffie in een modern studentencafé, waarna we het laatste stuk naar de stad aanvangen. Zjeko wil dit persé langs de Donau doen, maar het blijkt een totaal overwoekerd en zeer glad pad te zijn, waar we ons nog gedurende een hele tijd doorheen moeten vechten, voordat we écht bij onze eindbestemming aankomen. Het is een in de Donau drijvend chalet, met kamers met balkon die over de rivier uitkijken, ware het niet dat het weer nu definitief is omgeslagen. Nu kunnen we door de mist nauwelijks de overkant zien. Maar het is er warm en gezellig. Die middag worden we met z’n allen, samen met Zjeko, Nesja en Biljana, door de Turkse consul op het consulaat ontvangen. Hoewel het zijn laatste werkdag in Servië is, neemt hij alle tijd en heeft hij onze komst keurig voorbereid. We zitten met een drankje aan zijn grote tafel, waar hij alle wandelaars aan een kort interview onderwerpt en ons allemaal een formele stempel, met handtekening in ons Sultan’s Trail paspoort geeft. En daarna is het moment dat we definitief afscheid moeten nemen van onze fantastische Servische vrienden.

We hebben nog een dagje Belgrado voor de boeg, en alweer heeft de organisatie niet stilgestaan. Nu staat er een nieuw busje, met een nieuwe gids voor ons klaar. Hij laat ons alle kanten van Belgrado zien met een bezoek aan het Tito Museum en de burcht en geeft ons daarbij een lange, interessante, historische verhandeling over zijn land.

De tocht zit er op, het Noorden van Servië is voor de Sultan’s Trail gemarkeerd. De GPS-en zijn niet helmaal eensluidend, maar het is duidelijk dat er totaal meer dan 300 km is gelopen.

Amsterdam, 4 november 2012

Monique Janovitz

Home, Missie van de wandeling, Uncategorized